Waarom wij palmolie ‘boycotten’

Sinds de Britse supermarktketen Iceland Food een kerstcommercial met een palmolieboycot online zette, is palmolie volop in het nieuws. De oproep om een palmolieboycot zoals Frankrijk onlangs aankondigde, vindt steeds meer bijval. Toch klinkt er ook een ander geluid. Tegenstanders van zo’n boycot erkennen de gevolgen van de palmolieproductie op mens, dier en milieu, maar geloven dat een boycot juist averechts werkt. Volgens hen verschuift een boycot de problemen naar gewassen en landbouwmethoden die nog schadelijker zijn en moet ‘duurzame’ palmolie het tij keren.

Verreweg de meeste palmolie wordt echter geproduceerd op een manier die niet duurzaam is en niet duurzaam kan. Nog meer palmolie gebruiken is vanuit duurzaamheidsperspectief niet te verantwoorden. We moeten juist minder palmolie gebruiken. En het probleem in een breder perspectief plaatsen: ons consumptiepatroon en ons gebruik van landbouwgronden.

Gevolgen van palmolieproductie

Ontbossing, landroof, aantasting biodiversiteit, mensenrechtenschendingen, uitbuiting, vervuilde rivieren, kinderarbeid, geweld, klimaatverandering. Oliepalmen worden geteeld in de meest gevoelige en ecologisch belangrijkste bossen ter wereld en de gevolgen zijn extreem vernietigend voor mens, dier en natuur rondom de evenaar.

Pas aangeelgde palmolieplantage in West-Kalimantan | Jean Kern

Pas aangelegde palmolieplantage in West-Kalimantan | Jean Kern

Vooropgesteld: palmolie is niet de enige boosdoener. Vier grondstoffen zijn verantwoordelijk voor de aanhoudende wereldwijde ontbossing: veeteelt, soja, hout en palmolie. Wij richten ons hier op palmolie omdat dat veelal een verborgen ingrediënt is in veel gebruikte consumptiegoederen.

Ons consumptiepatroon

Een mantra galmt over de wereld dat we niet zonder palmolie kunnen. Gezien het feit dat het overal in zit lijkt dit misschien zo, maar het klopt niet. Palmolie zit overal in omdat het zo goedkoop is. Palmolie zit bovendien vooral in producten die we in wezen niet nodig hebben. Denk aan sauzen in pakjes, koekjes, snoep, ijs, cosmetica, verzorgingsproducten, veevoer en biodiesel. De consumptie van dit soort producten is de afgelopen decennia bovendien ontzettend gestegen. Ben jij boven de veertig? Kijk dan eens kritisch naar wat jij vroeger als kind kreeg en vergelijk dat eens met wat kinderen vandaag de dag aan snoep, koek en voorbewerkt voedsel krijgen. Bedrijven smeren ons dit gemaksvoedsel aan.

Hoe rechtvaardigen we in hemelsnaam dat de massale ontbossing, aantasting van biodiversiteit en schending van mensenrechten een ‘noodzakelijk kwaad’ is om aan onze toenemende consumptiebehoefte van gemaksvoedsel te voldoen?

Duurzame palmolie

De oproep om vooral duurzame palmolie te gebruiken komt voornamelijk van bedrijven en ngo’s die lid zijn van de Roundtable for Sustainable Palm Oil (RSPO). Dit is een mondiale organisatie, opgericht door de industrie (planters, producenten, verwerkers, investeerders) en enkele maatschappelijke organisaties, die palmolie als duurzaam certificeert als zij aan de door haar gestelde eisen voldoet.

Tegelijkertijd is het bedrijfsmodel van levensmiddelenfabrikanten die lid zijn van de RSPO gericht op steeds meer kant-en-klaarmaaltijden verkopen, met als gevolg grootschalige landbouw en industriële productie. De duurzaamheid is daarbij ver te zoeken.

Wonderbaarlijk genoeg geeft de RSPO geen definitie van duurzame palmolie. Wel een lijst criteria op basis waarvan palmolie als duurzaam gecertificeerd wordt. Door de RSPO als duurzaam gecertificeerde palmolie biedt helaas geen enkele garantie dat er voor de palmolie niet is ontbost , dat er geen landroof heeft plaatsgevonden, uitbuiting op plantages of kinderarbeid. Er zijn honderden rapporten die de misstanden op (RSPO gecertificeerde) plantages rapporteren. De RSPO heeft weinig handhavingsmogelijkheden. Het enige wat je als lid kan gebeuren, is dat je lidmaatschap wordt opgeschort of afgenomen; hetgeen zelden voorkomt. Overigens kan iedereen lid worden; ook als je palmolie niet duurzaam is of als je tropisch regenwoud hebt gekapt. Pijnlijk te zien dat veel multinationals hun ‘duurzaamheidsvertrouwen’ op het gebied van palmolie hierop berusten. Na een stempel van RSPO haalt iedereen weer gerust adem.

Duurzame palmolie: kan dat wel?

Wil er sprake zijn van palmolie die in de richting komt van duurzaam geproduceerd, dan zou dat moeten betekenen: palmolie die zonder (blijvende) schade aan biodiversiteit en lokale gemeenschappen wordt geproduceerd. Palmolie wordt bijna altijd verbouwd op megaplantages, in een monocultuur (met uitzondering de teelt in sommige gebieden in West-Afrika waar de oliepalm vandaan komt) wat per definitie niet duurzaam is of kan zijn.

Palmolieplantage in West-Kalimantan | Hugo Wortel

Palmolieplantage in West-Kalimantan | Hugo Wortel

De bestaande vegetatie moet worden gekapt, de grond moet worden gedraineerd en er zijn veel pesticiden, insecticiden en kunstmest nodig die het ecosysteem verstoren en rivieren (tevens drinkwatervoorziening voor de lokale bevolking) vergiftigen. Een plantage wordt na een aantal productierondes (van 20-30 jaar) uitgeput achtergelaten wanneer de kosten voor de toenemende benodigde hoeveelheid kunstmest niet meer opwegen tegen de opbrengsten van het gewas. Hiermee is een rijk regenwoud tot onbruikbare, dode grond gedegradeerd. Vooralsnog zijn wij geen productiemethode tegengekomen waarmee de bodem op plantages blijvend kan worden verbeterd en er voortdurend oliepalmen kunnen worden geplant. De voordelen zijn dus tijdelijk, maar de schade aan de biodiversiteit en het landschap is blijvend.

Bovendien is de lokale bevolking afhankelijk één gewas dat voor een goede opbrengst afhankelijk is van kunstmest en bestrijdingsmiddelen. Als de prijs van dat gewas zakt, zoals nu het geval is met de palmolievruchten (die de grondstof zijn voor palmolie), hebben ze geen alternatieven om op terug te vallen. Daarnaast zijn ze erg kwetsbaar voor schommelingen in de prijs van kunstmest.

De stijgende vraag naar palmolie kan onmogelijk duurzaam worden ingevuld.

De stijgende vraag naar palmolie kan onmogelijk duurzaam worden ingevuld. De druk op het regenwoud zal toenemen met alle gevolgen voor de biodiversiteit en lokale gemeenschappen.

De stelligheid waarmee in Nederland en andere westerse landen ‘duurzame’ palmolie wordt verdedigd is ook om een andere reden opmerkelijk. Het feit dat de oliepalm per hectare veel meer oplevert dan andere oliehoudende gewassen, rechtvaardigt blijkbaar de ecologische schade waarmee wij landen aan de andere kant van de wereld opzadelen. Westerse bedrijven en overheden beweren dat wij  afhankelijk zijn van palmolie, maar de consequenties van die onverzadigbare behoefte verplaatsen we naar gebieden waar de natuur en de mensen veel meer te verliezen hebben dan hier. We moeten zelf verantwoordelijkheid nemen voor ons gedrag en niet meer, maar minder palmolie of andere plantaardige vetten consumeren. Bewerkt voedsel zoveel mogelijk vermijden en anders lokale alternatieven gebruiken.

Alternatieven voor plantaardige olie in Europa

Palmolie is met name populair omdat het zo goedkoop is. De productiviteit van de oliepalm is namelijk per hectare vele malen hoger dan die van andere oliehoudende gewassen, zoals bijvoorbeeld koolzaad, raapzaad en zonnebloem. De kostprijs is daarnaast laag doordat boeren en plantagearbeiders vaak worden uitgebuit. Een boycot van palmolie verschuift de ecologische en sociale problematiek naar deze minder productieve gewassen, wordt vaak geroepen. Palmolie wordt gezien als het minste van twee kwaden. Hier is wel een en ander tegen in te brengen.

Er wordt voorbijgegaan aan het feit dat gewassen als kool- en raapzaad vrijwel overal in Europa kunnen groeien. In Europa is de meeste grond al in cultuur gebracht, dus er hoeven geen oerbossen voor worden gekapt. De olie hoeft ook niet in vervuilende vrachtschepen de wereld over en we zien de ecologische gevolgen van de productie van deze gewassen in onze eigen leefomgeving. Daarnaast zijn landroof, schending van mensenrechten in de Europese Unie – en zeker in Nederland – minder snel aan de orde. Kortom: de ecologische voetafdruk van de genoemde alternatieven is een heel andere dan die van palmolie.

Als wij onze plantaardige olie lokaal gaan produceren is er meer landbouwgrond nodig. Landbouwgrond die we nu onder andere nodig hebben voor vee, veevoer en de zuivelindustrie. Je kan wat je hebt maar een keer uitgeven. We zullen daar dus iets in moeten veranderen. Dat betekent naast minder producten consumeren waar plantaardige olie in zit, ook minder zuivel en vlees produceren en ons landbouwbeleid anders inrichten.

Als we minder landgrond gebruiken voor vee, veevoer en de zuivelindustrie, is er meer landbouwgrond beschikbaar voor het verbouwen van gewassen voor plantaardige oliën. Daarnaast is ons gehele landbouwbeleid sowieso toe aan een metamorfose. De Nederlandse landbouw moet omschakelen naar een duurzaam systeem van voedsel produceren waarin klimaat, natuur en bodem niet langer onder druk staan. Bijvoorbeeld door te kiezen voor ecologische landbouwmethoden waarbij verschillende gewassen door elkaar worden verbouwd en die in harmonie zijn met het bestaande lokale ecosysteem, zoals boslandbouw.

Alternatief inkomen in palmolieproducerende landen

Een ander argument dat vaak naar voren wordt gebracht ten voordele van palmolie is dat de lokale bevolking een inkomen heeft uit de palmolieproductie. Door een palmolieboycot ontnemen we hen de mogelijkheid in hun levensonderhoud te voorzien.

Om te beginnen houdt dit standpunt geen rekening met de tijdelijkheid van palmolieplantages. De boeren hebben nu misschien een inkomen, maar wat moeten deze boeren als de grond is uitgeput? Net zoals palmolie ons door levensmiddelenproducenten wordt opgedrongen, zo zijn veel lokale boeren min of meer gedwongen palmolie te telen. Om hun levensonderhoud te verbeteren en niet alleen te vertrouwen op een monocultuur (zoals palmolie), zijn er andere mogelijkheden om inkomsten uit hun land te halen.

Palmolieplantage bij Sintang, West-Kalimantan | Hugo Wortel

Palmolieplantage bij Sintang, West-Kalimantan | Hugo Wortel

Op Borneo – waar sinds de jaren vijftig de helft van het regenwoud is gekapt, onder andere ten behoeve van palmolieplantages – is het bijvoorbeeld mogelijk in bestaand bos een mix van diverse fruitsoorten, arengasuiker, bamboe, kokospalm, specerijen, koffie en cacao te verbouwen. Van nature in Indonesië voorkomende bomen als de tengkawang, de kokospalm en de kemiri zijn hier al eeuwenlang een natuurlijke bron van plantaardige olie. Samen met cacaobomen kunnen zij per hectare net zoveel olie produceren als een gemiddelde oliepalmplantage*. Deze vorm van boslandbouw kan zelfs veel meer inkomsten opleveren per hectare dan een palmolieplantage, zonder gebruik van kunstmest en pesticiden en met een gespreid risico omdat de boer niet afhankelijk is van de prijs van één gewas. Bovendien kan de boer een deel van de opbrengst ook altijd nog zelf consumeren in moeilijke tijden. Alleen al van de arengasuiker kunnen de inkomsten per hectare oplopen tot boven de €300 per maand. Een hectare palmolie levert bij een gemiddelde productie van 3000 kg palmolie per hectare per jaar een bedrag op van tussen de €60 en €150 per maand.

Daarnaast biedt een gemixt bos behoud van biodiversiteit, veel meer CO2-opname, zuurstofproductie, schoon water en minder risico op ziektes van gewassen door de gevarieerde vegetatie, vergeleken met een monocultuur palmolie plantage.

Om de lokale bevolking van inkomen te voorzien, hoeven er dus geen bomen te worden gekapt. Alleen de investeringen moeten anders worden ingezet, namelijk in het ontwikkelen van producten op basis van plantaardige grondstoffen die gewoon uit het bestaande bos te halen zijn. Investeringen die juist motiveren meer bos aan te planten. Op die wijze kan de lokale bevolking het recht weer in eigen handen nemen in plaats van enkel onze grondstoffenleverancier te zijn. Precies zoals ze dat deden voordat palmolie wereldwijd een ‘onmisbaar’ ingrediënt werd.

Palmolie is geen wonderolie

Als palmolie in het juiste ecosysteem zou groeien en de juiste relatie met de natuurlijke omgeving en met mensen zou hebben, dan zou het een geweldig plantaardige olie kunnen zijn. Maar palmolie – of het nu als duurzaam wordt bestempeld of niet – is geen wonderolie.

we moeten zelf verantwoordelijkheid nemen voor onze uit de hand gelopen vraag naar plantaardige olie.

En we moeten ook niet op zoek gaan naar een wonderolie dat palmolie kan vervangen, maar kritisch naar ons eigen consumptiepatroon kijken en onze eigen landbouw zo inrichten dat we alternatieve grondstoffen met een lagere milieudruk kunnen gebruiken in plaats van palmolie. Alternatieven die niet worden goedgepraat vanwege commerciële en korte-termijnprikkels. Dat vraagt dus ook een verantwoordelijkheid van overheden en bedrijven. Zij verschuilen zich nu nog te gemakkelijk achter de RSPO. Kritische vragen van bezorgde consumenten worden nog te vaak beantwoord met een gemakzuchtige verwijzing naar een organisatie die zijn eigen vlees keurt. Die houding moet veranderen: we moeten zelf verantwoordelijkheid nemen voor onze uit de hand gelopen vraag naar plantaardige olie.

Want er is geen enkele rechtvaardiging te vinden in het feit dat wij de desastreuze gevolgen van onze ongebreidelde drang naar producten met palmolie neerleggen bij de bevolking in landen aan de andere kant van onze aardbol. De ware prijs van palmolie is torenhoog. Natuur – waar ook ter wereld – is niet slechts “nice to have”. Het is essentieel voor ons voortbestaan.


* Dit is een berekening op basis van 455 bomen op een hectare, wat een relatief lage boomdichtheid is (een hectare regenwoud bevat ongeveer 450 – 770 bomen per hectare (https://arxiv.org/pdf/1705.09242.pdfhttps://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S2351989415300524))

Door:

Janneke Bazelmans, milieujurist en auteur ecothriller Verkapt (Godijn Publishing, 2017)
Alexandra Vosmaer, wild-links.com
Dirk-Jan Oudshoorn, wild-links.com
Hugo Wortel, Orangutan Rescue en PalmolieVRIJ