Palmolie

De oliepalm (Elaeis guineensis) komt oorspronkelijk uit West-Afrika. In de eerste helft van de negentiende eeuw arriveerden zaden vanuit Mauritius of Réunion in de Amsterdamse Hortus. In 1848 zijn twee kiemplanten naar buitenzorg in Bogor verscheept. Deze palmen vormden de basis voor de grote oliepalmplantages van Sumatra en Borneo die daar zijn aangelegd vanaf 1919.

Wat is palmolie?

Palmolie is de meest gebruikte plantaardige oliesoort ter wereld. Palmolie gaat het smeltgedrag tegen, heeft een zachte textuur, geeft een aangenaam mondgevoel en verzekert een goede smeerbaarheid. Bovendien, niet onbelangrijk, is het goedkoop.

Daarom zit palmolie in de helft van de producten die je in de supermarkt vindt, van koekjes tot shampoo en van chips tot bodylotion. Daarnaast wordt palmolie gebruikt als biobrandstoffen om groene stroom op te wekken of in diesel gemengd. De Westerse consument gebruikt per jaar gemiddeld 2 kilo palmolie.

Palmolie wordt gewonnen uit het vruchtvlees van oliepalmvruchten. De meeste palmolieplantages liggen in Indonesië en Maleisië, maar door de onophoudelijke vraag naar palmolie breiden oliepalmbedrijven hun productie uit naar Afrika en Latijns-Amerika. Drie tot vijf jaar na het planten van de oliepalm, kunnen de oliepalmvruchten maandelijks geoogst worden. Dit kan gedurende 20 tot 25 jaar. De palmpitten worden verwerkt tot palmpitolie en palmpitmeel. Ruwe palmolie wordt uit het fruitpulp gehaald. De ruwe palmolie wordt vervolgens gezuiverd, ontkleurd en ontgeurd (raffineren). Een bijproduct is palm kernel meal dat vooral gebruikt wordt in de veevoederindustrie. Alles van de vrucht wordt dus gebruikt.

Meer informatie over palmolie: www.palmolie.info

Wat is het probleem?

De palmolie-industrie heeft een enorme impact op de natuur, mens en dier. Steeds meer regenwoud moet wijken voor palmolie-plantages. Bossen worden gekapt of platgebrand. Veengronden worden bewerkt, waardoor de waterhuishouding ernstig verstoord wordt met enorme CO2-uitstoot ten gevolge. En dit terwijl de omgekapte bomen geen dienst meer kunnen doen als ‘opslag’ van CO2. Daarnaast wordt op de plantages veelal gebruik gemaakt van pesticiden. Verschillende diersoorten, met als bekendste de orang-oetan en de Sumatraanse tijger, verliezen hun leefomgeving en dreigen uit te sterven. Bovendien zijn er veel land- en arbeidsconflicten met de lokale bevolking die uit hun dorpen verjaagd worden.

Hier vind je diverse rapporten over de gevolgen van de palmolieproductie.

Duurzame palmolie

Er zijn verschillende certificeringssystemen voor duurzame palmolie, waarvan het systeem van de Round Table for Sustainable Palmoil (RSPO) het meest gebruikt is.

De RSPO probeert door palmolie te certificeren de duurzame productie van palmolie te verzekeren. Deze non profit organisatie is in 2004 opgericht door maatschappelijk organisaties en de industrie (planters, producenten, verwerkers en investeerders).[1]

De functie van de RSPO is tweeledig:

In de eerste plaatst is het een platform in de dialoog tussen producenten, verwerkers, maatschappelijke organisaties en bedrijven dat heeft geleid tot bewustwording over de niet-duurzame teelt van palmolie. Iedereen die bij het productieproces is betrokken, is aan boord. In de tweede plaats is het een certificeringssysteem voor palmolie.

Als definitie van ‘duurzaam’ hanteert de RSPO acht principes en 39 criteria (de P&C 2013). Zo mag er o.a. geen grond worden gebruikt voor palmolieplantages waar waardevolle bossen zijn gekapt en moeten de rechten van de lokale bevolking en werknemers worden gerespecteerd. In 2008 werd de eerste lading palmolie gecertificeerd. Momenteel is ruim twintig procent van de palmolieproductie  gecertificeerd door de RSPO.

Palmolie is dus duurzaam als de RSPO zegt dat het duurzaam is. Maar hoe duurzaam is die duurzame palmolie? In de bundelDuurzame handel in juridisch perspectief’ ga ik uitgebreid in op deze vraag.

Op de duurzaamheidscriteria en certificeringsmethode van de RSPO en de handel in palmoliecertificaten is in de afgelopen jaren veel kritiek geleverd.

Kort gezegd komt de kritiek hierop neer:

  • De criteria verbieden het kappen van secundaire bossen (bossen die zijn ontstaan nadat door menselijk ingrijpen het primaire bos / oerbos is verdwenen) en veengebieden niet.
  • Er zijn geen strikte regels met betrekking tot het voorkomen van bosbranden.
  • Er zijn nog steeds veel conflicten met betrekking tot landrechten, mensenrechten en grootschalige vervuiling.
  • De traceerbaarheid van de gecertificeerde palmolie blijft lastig. De keten is lang en niet transparant.
  • Het betreft zelfregulering (er is geen overheid bij betrokken), dus er is geen gedegen toezicht en handhaving, geen sancties. De RSPO is afhankelijk van de goede wil van bedrijven en de lokale autoriteiten.

Daarnaast zijn er diverse klachten tegen RSPO-leden ingediend bij de RSPO.

De RSPO criteria zijn internationaal geaccepteerd. Ook de Europese Unie en Nederland baseren hier wetgeving en beleid op. De duurzaamheidcriteria van de RSPO werken dus direct door in EU beleid en haar lidstaten. Zo mag in Nederland alleen nog duurzaam geproduceerde palmolie worden gebruikt als biobrandstof. En het doel van de Dutch Alliance Sustainble Palm Oil (DASPO) Nederlandse voedingsmiddelenindustrie is dat alle palmolie op de Nederlandse markt duurzaam is geproduceerd. En dat betekent door de RSPO gecertificeerde palmolie.

[1] Voor meer achtergrond informatie over de ontstaansgeschiedenis van de RSPO zie oa: Jordan Nikoloyuk, Tom R. Burns, and Reinier De Man, ‘The Promise and Limitations of Partnered Governance: The Case of Sustainable Palm Oil’, in: Journal of Corporate Governance, 2010.